omgevingsaanvraag windturbines

Normen VLAREM II voor windturbines onwettig?

De Raad voor Vergunningsbetwistingen had aan het Europees Hof van Justitie een aantal prejudiciële vragen gesteld in verband met de normen opgenomen in afdeling 5.20.06 van VLAREM II voor windturbineparken inzake slagschaduw, bepaalde veiligheidsaspecten en het geluid dat installaties voor de productie van windenergie maken.

In een recente conclusie van 3 maart 2020 stelt de advocaat-generaal dat nationale wetgeving – die nauwkeurige regels bevat inzake slagschaduw, veiligheid en geluid van windturbineparken, en het referentiekader vormt voor de toekenning van vergunningen voor de locatie en de kenmerken van toekomstige projecten voor de oprichting van windturbines – valt onder het begrip “plannen, programma’s van artikel 2, a) van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, en aanzienlijke gevolgen heeft voor het milieu”.

Dit impliceert, aldus de advocaat-generaal, dat een voorafgaande strategische milieubeoordeling in de zin van artikel 3, lid 2, onder a) van voormelde richtlijn vereist is.

Het Hof van Justitie dient hierover nog een arrest te vellen, maar de kans lijkt reëel dat het Hof de conclusie van de advocaat-generaal zal bijtreden.
Wat zijn in dat geval de gevolgen?

De normen voor windturbineparken zoals voorzien in afdeling 5.20.06 voor windturbineparken zijn bij gebreke aan voorafgaande strategische milieubeoordeling onwettig en kunnen in principe niet worden toegepast. Rechtbanken voor wie een onwettigheidsexceptie in dat verband wordt opgeworpen zullen in principe voormelde normen buiten toepassing moeten laten. Vergunningen die gesteund zijn op voormelde normen en welke worden bestreden voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen zullen in principe vernietigd worden.

In zijn conclusie stelt de advocaat-generaal wel dat de nationale rechter die geconfronteerd wordt met een onwettigheidsexceptie de consequenties van zijn uitspraak in de tijd kan beperken teneinde de gevolgen van de vergunningen voor de oprichting van windturbines tijdelijk te handhaven met het doel het milieu te beschermen en – in voorkomend geval – de elektriciteitsvoorziening te handhaven. De nationale rechter is daar evenwel niet toe verplicht. Alleszins zal er een bijzondere motivering moeten worden gegeven in de mate waarin de gevolgen van vergunningen die zijn verleend op basis van voormelde normen uit VLAREM II zouden worden gehandhaafd.

Ons inziens zullen de vergunningsverlenende overheden niet meer op het feit dat voldaan zou zijn aan bedoelde normen uit VLAREM II kunnen steunen om op wettige wijze vergunningen af te leveren voor windturbines. Er zal minstens een juridisch vacuüm zijn bij gebreke aan concrete normen en nieuwe reglementering zal zich opdringen.

→ Zijn er windturbines in uw omgeving recent vergund of wenst u bezwaar in te stellen tegen een omgevingsaanvraag betreffende windturbines, neem dan gerust contact op met Surmont Advocaten.