wetgeving algemene voorwaarden

Strengere regels in B2B-relaties (ook voor algemene voorwaarden) vanaf 1 december 2020

U gebruikt uw verkoopsvoorwaarden al jaren, zonder er nog veel aandacht aan te besteden. Wellicht zijn het nog algemene voorwaarden uit een lang vervlogen tijd. Voorziet u nog 15% schadebeding? Maakt u nog aanspraak op 1,5% nalatigheidsinteresten per maand? Dan is het hoog tijd om uw algemene voorwaarden te herzien en te actualiseren.

Per 1 december 2020 zijn strengere regels van toepassing in de verhouding tussen ondernemingen (met inbegrip van vrije beroepen, land- en tuinbouwers …). De bepalingen ter zake zijn terug te vinden in het Wetboek Economisch Recht (WER).

Overeenkomsten betreffende financiële diensten en overheidsopdrachten vallen buiten de nieuwe regeling, maar voor het overige zullen alle overeenkomsten tussen ondernemingen (die gesloten worden na 1 december 2020) aan de nieuwe regels getoetst worden. De bedoeling is een ‘algemeen beschermingsniveau’ te creëren waarbij de bescherming die de consument reeds jaren geniet, doorgetrokken wordt naar ondernemingen (ongeacht hun omvang of rechtsvorm).

Daarbij staat het woord ‘duidelijkheid’ voorop: een verstaanbare bewoording en een heldere communicatie. Wordt een contractuele clausule of een algemene voorwaarde niet op voorhand medegedeeld? Of is die onduidelijk? Dan kan de rechtbank deze als onrechtmatig bestempelen en nietig verklaren (art. 91/3 § 2, lid 2 WER). Het tweede begrip dat centraal staat is ‘evenwicht’. Indien het beding een ‘kennelijk onevenwicht’ creëert tussen de rechten en de plichten van de betrokken ondernemingen, zal – opnieuw – de rechtbank dit beding onrechtmatig kunnen verklaren.

Dit betekent uiteraard niet dat er een volkomen gelijkheid tussen ondernemingen moet gewaarborgd worden, of dat ondernemingen niet langer vrij zijn om bijv. in een koopovereenkomst vrij een prijs voor goederen of diensten te bepalen. De rechtbank krijgt echter wel een arsenaal aan criteria ter beschikking gesteld om te bepalen of er een kennelijk onevenwicht bestaat, of niet.

Artikel VI.91/3 § 2 WER voorziet:

“Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de algemene economie van de overeenkomst, alle geldende handelsgebruiken, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

Onnodig er nu reeds op te wijzen dat de toepassing van deze wettelijke bepaling aanleiding zal geven tot heel wat interpretaties en discussies, terwijl de sanctie niet mals is: de nietigheid van het beding. Daarom wordt er beroep gedaan op het gebruik van zwarte (art. VI.91/4 WER) en grijze lijsten (art. VI.91/5 WER). Komt het beding voor op de zwarte lijst, dan heeft de rechter geen keuze. Het beding is verboden en daarom nietig. In het tweede geval gaat het slechts om een vermoeden, waarbij het bewijs van het tegendeel geleverd kan/mag worden.

Het is daarom ten zeerste aan te bevelen om contractvoorwaarden en factuurvoorwaarden futureproof te maken en te evalueren of – en in inzonderheid hoeverre – sommige bedingen verboden zijn of als onevenwichtig zouden kunnen worden beschouwd. Voorkomen is nog altijd beter dan genezen!

→ Hulp nodig bij het nazien en verbeteren van uw algemene voorwaarden en B2B-verbintenissen? Contacteer Surmont Advocaten.